Overslaan en naar de algemene inhoud gaan

U bent hier

Seksueel grensoverschrijdend gedrag jongeren: feiten en cijfers

Risicofactoren en beschermende factoren

Om succesvolle interventies te kunnen ontwikkelen moeten we weten welke factoren seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) beïnvloeden: wat maakt iemand kwetsbaar? Wat werkt beschermend? En wat maakt iemand een pleger? In het algemeen zien we een opvallend positief verband tussen slachtofferschap en plegerschap (De Bruijn, 2007).

Individuele factoren

Om SGG mee te maken zijn zowel geslacht, seksuele oriëntatie als leeftijd belangrijke risicofactoren. Jonge kinderen, meisjes en homoseksuele tieners zijn het vaakst slachtoffer van SGG. Ook lagere opleiding, kwetsbare gezinsachtergrond, negatieve ervaring met SGG speelt een rol. Jongeren die meer seksuele risico's stellen (meerdere partners, alcohol, vroege start, losse seksuele contacten) maken meer SGG mee (Kuyper, e.a., 2011; De Bruijn, 2007) .

Maar ook de invloed van bepaalde attitudes zoals genderstereotiepe opvattingen en houding tegenover de toelaatbaarheid van dwang verhogen het risico op SGG. Negatieve seksuele motieven (om iets negatiefs te vermijden), een laag seksueel zelfbeeld, en ambivalente communicatie over grenzen zijn risicofactoren. Jongeren die minder goed in staat zijn grenzen te voelen en aan te geven maken meer SGG mee (De Bruijn, 2007, Kuyper, 2011; de Graaf et al, 2008).

Geslacht, oriëntatie en leeftijd

Jonge kinderen, meisjes en homoseksuele tieners zijn het vaakst slachtoffer van SGG. Ook minder opleiding, een kwetsbare gezinsachtergrond, een negatieve ervaring met SGG spelen een rol. Jongeren die meer meerdere partners hebben of losse seksuele contacten, die alcohol drinken of vroeg aan seks beginnen maken meer SGG mee (Kuyper e.a., 2011; De Bruijn, 2007).

Weerbaarheid van jongeren

Hoe schatten jongeren hun eigen weerbaarheid in? Meisjes geven vaker dan jongens aan dat ze ongewilde seks wellicht wel zouden kunnen weigeren in diverse situaties zoals verliefdheid, verkering, flirten, bij opwinding, als ze dronken zijn, wanneer de ander hen overhaalt of dreigt het uit te maken. Het meest riskant is opwinding of dronkenschap: 2 op 5 jongens en 1 op 4 meisjes denkt dan moeilijker te kunnen weigeren (de Graaf, 2012). Seks onder invloed van drugs of alcohol hangt bij zowel jongens als meisjes samen met dwang.

Als jongeren zelf SGG stellen zien we vaak dezelfde risicofactoren terugkomen. Meestal gaat het hier over jongens (Van Outsem, 2007; Vugt e.a., 2008; Worling & Langström, 2006). Ook hier zien we ambivalente communicatie en opvattingen over dwang terugkomen (Krahé, 2000 en 2007; Kuyper, 2011). Kijken naar gewelddadige porno kan ook een effect hebben (Kuypers e.a., 2010; Barbaree & Marshall, 2006; Franck, 2009).

Invloed van partners en peers

Bij SGG is de pleger in veel gevallen de partner, maar ook familieleden (bij meisjes) en kennissen (bij jongens) scoren hoog (Hellemans & Buysse, 2013, Pieters e.a., 2010). De relatie van een kind of een jongere met de pleger bepaalt in grote mate of SGG zich voordoet en hoe het slachtoffer dat beleeft. Machtsverschil zal het voor het slachtoffer moeilijker maken om te weigeren.

Het aantal partners, een vroege seksuele start (Symons, 2011) en het soort seksuele contacten zijn risicofactoren. Een oudere sekspartner of losse sekspartners hebben verhoogt de risico's. Ook vrienden en groepsdruk spelen een rol (De Bruijn, 2006, Kuyper e.a., 2010).

Relatie met de ouders

Een goede band met ouders maakt jongeren weerbaarder tegen verbale manipulatie. Die goede band stelt jongeren in staat om adequater te communiceren en eigen beslissingen te nemen, waardoor de kans om gemanipuleerd te worden afneemt. Ook steun en 'redelijke' controle door ouders werkt, of als ouders weten waar hun kinderen mee bezig zijn (De Bruijn, 2006; Kuyper e.a., 2010).

Bij plegers van seksueel geweld zien onderzoekers vaak een verstoorde relatie met de ouders. Deze jongeren ontwikkelen minder vaardigheden om intieme relaties aan te gaan. En dat kan leiden tot seksueel agressief gedrag (Hudson & Ward, 2000). We zien ook vaak transmissie doorheen generaties: ouders die zelf misbruik hebben meegemaakt, zijn zich er vaak niet van bewust hoe hun verleden invloed heeft op hun rol als ouder (Friedrich, 2007).

Risicovolle omgevingen

Op school worden kinderen en jongeren relatief vaker geconfronteerd met SGG. Dat heeft te maken met de context: kinderen kunnen niet weg en kunnen situaties niet ontlopen, er is weinig toezicht, er is geen laagdrempelige melding mogelijk. Meestal gaat het om minder ernstige feiten en zijn de plegers leeftijdsgenoten (Frans & De Bruycker, 2012).

Ook bij nieuwe media spelen contextfactoren een rol. Jongeren geven aan dat mobiele toestellen de drempel voor grensoverschrijdend gedrag verlagen (Mascheroni & Olafsson, 2014).

Competenties van professionals

Het beleid in organisaties waar jongeren resideren of begeleid worden blijkt niet voldoende om SGG te voorkomen en de competenties van professionals schieten nog tekort. Deze conclusie komt in verschillende recente rapporten voor (Mouthaan & Van der Vlugt, 2013; De Rijcke, 2011; Frans & De Bruycker, 2012; Jeugdzorg Nederland, 2013; Rapport historisch misbruik, 2013).

Professionals vinden het lastig om te beoordelen of er sprake kan zijn van seksueel misbruik. Ze willen het kind de nodige hulp bieden, maar anderzijds geen onterechte beschuldigingen uiten. Vaak gebeurt de beoordeling te intuïtief en verschillen professionals van mening. Er zijn geen objectieve criteria. Professionals in residentiële settings hebben onvoldoende inzicht in de gevolgen van traumatische (seksuele) ervaringen op kinderen. Ze signaleren een gebrek aan kennis en vaardigheden om met seksueel (ongewenst) gedrag om te gaan (Lamers-Winkelman & Tierolf, 2012).

Jongerenbegeleiders twijfelen vooral over 'grijze zones': wat kan, wat kan niet? In die situaties zouden ze graag beroep doen op een collega of een intervisiegroep, maar men vindt niet vaak mensen die voldoende in thuis zijn in het thema. Professionals hebben er nood aan meer op één lijn te zitten. Ze zijn benieuwd naar de mening van andere begeleiders en hebben nood aan meer collegiale afstemming (de Graaf, 2003).

Lichamelijke omgang

Over de lichamelijke omgang met kinderen en jongeren is er ook veel twijfel. De grens is niet zo duidelijk voor iedereen. Om verdenking te vermijden zullen professionals bepaalde situaties voorkomen, bijvoorbeeld als mannelijke begeleider met een meisje alleen zijn in een afgesloten lokaal. Professionals vinden dat geen goede ontwikkeling, omdat aanraken ook belangrijk is (Zwiep, 2009; Zwiep, 2012; Mouthaan & Van der Vlugt, 2013; Timmerman e.a. 2002; Bajama & Boninck, 2002).

Opvattingen van professionals en van kinderen en jongeren verschillen. De attitude van professionals is normatiever dan die van jongeren (Kramer e.a., 2007). Dat leidt tot situaties waarin de professional negatiever oordeelt, meer gevaren ziet, minder positieve elementen dan de jongere zelf.

Organisatiebeleid bepaalt mee de risico's

Begeleiders in residentiële jeugdzorg ontbreekt het vaak aan begeleiding om beter om te gaan met (ongewenst) seksueel gedrag. Ze hebben nood aan een 'faciliterend' management: een adequaat personeelsbeleid met aandacht voor training en begeleiding (Lamers-Winkelman & Tierolf, 2012; Buysse e.a., 2013; Jeugdzorg Nederland, 2012; Frans & Franck, 2010).

Determinanten van SGG moeten we niet enkel zoeken in de psychosociale problematiek van de doelgroep, maar ook in de institutionele context. Door het verblijf in een leefgroep in een jeugdinstelling kan misbruik meer kans krijgen. Als er sprake is van een gesloten natuur van inrichtingen, (agressieve) seksistische omgangsvormen en van begeleiders die zich niet toegerust voelen om met seksuele issues om te gaan, dan zijn dat belangrijke risicofactoren. Maar ook gebrekkige infrastructuur (slaap- en sanitaire ruimtes) en de organisatie van het toezicht zijn aandachtspunten (Green & Mason, 2002; Hollomotz, 2009; Ivens, 2003).