Overslaan en naar de algemene inhoud gaan

U bent hier

Seksueel grensoverschrijdend gedrag jongeren: feiten en cijfers

Deze Feiten en cijfers (2016) bundelt recente cijfers en onderzoeksgegevens over seksueel grensoverschrijdend gedrag van en tegenover jongeren.

Samenvatting

Seksueel grensoverschrijdend gedrag is een aanzienlijk probleem als je ziet hoeveel mensen ermee in aanraking komen. In ernstige gevallen hebben ervaringen ook langdurige en negatieve gevolgen. Kinderen en jongeren zijn extra kwetsbaar.

Minderjarigen vaak slachtoffer

Minderjarigen worden vaak slachtoffer van seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) en misbruik. Het percentage kinderen dat werd gemeld voor seksueel misbruik bij een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling bedroeg in 2014 15% van het totaal aantal gemelde kinderen. Dat minderjarigen vaak slachtoffer worden, stelde ook het Sexpert-onderzoek vast (Buysse e.a., 2013). Slachtoffers zijn jong: 10 tot 13 is een kwetsbare leeftijd. In contexten zoals school komen veel kinderen en jongeren in aanraking met SGG.

Politiestatistieken: enkel aangiftes

In 2013 telden de politiestatistieken klachten in verband met verkrachtingen en aanranding van de eerbaarheid. In België zijn er op basis van de aangiftes 8 verkrachtingen en 9 aanrandingen van de eerbaarheid per dag, waarvan een groot deel bij minderjarigen.

Grote variatie in incidenten

Het is belangrijk om kritisch te kijken naar de gebruikte definities in onderzoek en bij registraties. Bij SGG worden verschillende definities gebruikt en dat maakt vergelijken moeilijk. Er gaat onder de term 'seksueel grensoverschrijdend gedrag' een grote variatie aan mogelijke incidenten schuil, van non-verbale signalen, verbaal gedrag, moeten toekijken, gedwongen worden tot seksueel gedrag (masturbatie, orale seks) tot poging tot verkrachting en verkrachting.

Vaak een bekende

De meeste daden van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij minderjarigen worden gepleegd door een bekende: iemand uit het gezin of de familie of iemand uit de naaste omgeving. Ook leeftijdsgenoten zijn pleger.

Jonge plegers

Niet alleen volwassenen, ook jongeren stellen seksueel grensoverschrijdend gedrag. Melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag door een minderjarige zelf vinden we in de statistieken van Kind en Gezin.

Meisjes én jongens

Er is een gendereffect: meisjes zijn vaker terug te vinden aan de kant van de slachtoffers en jongens aan de kant van de plegers. Daardoor dreigen we de jongens als slachtoffers te vergeten. Onterecht, want deze groep is toch ook aanzienlijk.

Slachtoffers en plegers

De risicofactoren om slachtoffer of pleger van SGG te worden zijn vaak dezelfde. Preventie richt zich best naar de grote groep jongeren vanuit de wetenschap dat veel van hen zelf SGG hebben ervaren en/of getuige zijn geweest van incidenten. Of zelf SGG hebben gesteld.

Rol van de omgeving

Bepaalde omgevingen zijn extra risicovol zoals school en thuis. Ook internet verhoogt in sommige gevallen het risico op seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Niet alle gevallen worden gemeld

Houd er bij deze cijfers ook rekening mee dat zeker niet alle gevallen van SGG gemeld worden aan de hulpverlening, de politie of het parket (Pieters, 2010). Minderjarigen melden weinig misbruik, zeker bij incest of misbruik door een bekende. Slechts een derde van de minderjarigen die seksueel misbruik meemaken, vertelt dat aan iemand tijdens de kindertijd. Ook op volwassen leeftijd deelt slechts de helft deze vroegere ervaring met iemand.

Definities

Over seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel misbruik zijn verschillende definities in omloop.

Wat is seksueel grensoverschrijdend gedrag?

Wij baseren ons op de definitie in het Vlaggensysteem. Het Sensoa Vlaggensysteem (Frans & Franck, 2010) beoordeelt seksueel gedrag op basis van 6 criteria:

  1. Wederzijdse toestemming: alle betrokkenen gaan akkoord en voelen zich er prettig bij.
  2. Vrijwilligheid: er is geen sprake van beloning, manipulatie, druk of dwang.
  3. Gelijkwaardigheid: de partners zijn gelijkwaardig op vlak van leeftijd, intelligentie, macht, maturiteit.
  4. Ontwikkeling: het gedrag is typisch en aanvaardbaar voor de ontwikkelingsfase.
  5. Context: het gedrag houdt rekening met de omgeving en stoort/choqueert niemand.
  6. Zelfrespect: het gedrag veroorzaakt geen fysieke, emotionele of psychische schade bij de persoon zelf.

Bij kinderen en jongeren is seksueel grensoverschrijdend gedrag dan

  • elke vorm van seksueel gedrag van of ten aanzien van een kind of jongere in verbale, non-verbale of fysieke zin
  • al dan niet opzettelijk;
  • waarbij het seksueel gedrag niet voldoet aan één of meerdere van die 6 criteria, of waarbij het niet duidelijk is of het gedrag aan deze criteria voldoet.

Seksueel grensoverschrijdend gedrag en de bijhorende ervaringen van de betrokkenen behelst gebeurtenissen zonder of met fysiek contact: zien van of geconfronteerd worden met seksueel gedrag, seksuele opmerkingen, aanraken, zoenen, uitkleden, penetratie. Het gaat zowel om directe als om media-gerelateerde ervaringen (masturberen voor de webcam bijvoorbeeld).

4 categorieën in het Vlaggensysteem

Op basis van een toetsing aan deze criteria kan seksueel gedrag ingedeeld worden in 4 categorieën, van aanvaardbaar tot zwaar grensoverschrijdend seksueel gedrag. In het Vlaggensysteem duiden we deze 4 categorieën aan met een groene, gele, rode of zwarte vlag. De mate van grensoverschrijding meten we af aan de kans dat dit gedrag schade kan berokkenen aan de persoon zelf of aan andere betrokkenen.

Onderscheid SGG en seksueel misbruik

Er is een onderscheid tussen seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) en seksueel misbruik. Deze termen zijn niet inwisselbaar. Hoewel seksueel misbruik zonder twijfel een vorm van SGG is, kan niet elke vorm van SGG als misbruik bestempeld worden

Seksueel misbruik

We gebruiken 3 van de 6 criteria om seksueel gedrag onder de noemer 'seksueel misbruik' bij kinderen en jongeren te plaatsen. Misbruik is elke vorm van SGG, verbaal, non-verbaal of fysiek, al dan niet opzettelijk, waarbij duidelijk:

  • geen wederzijdse toestemming voor bestaat;
  • en/of dat niet vrijwillig is;
  • en/of waar het slachtoffer veel jonger is of in een afhankelijkheidsrelatie staat ten opzichte van de pleger.

Er is dus sprake van seksueel misbruik bij ernstig en zwaar grensoverschrijdend gedrag. Dat is als aan minstens één van bovenstaande 3 criteria duidelijk niet voldaan wordt. Dit gedrag krijgt een rode of zwarte vlag in het Vlaggensysteem. De bepaling of het om seksueel misbruik gaat of niet, hangt dus niet alleen af van de beleving van het slachtoffer, maar formuleren we vanuit het perspectief van de persoon die het gedrag stelt.

Het Vlaggensysteem helpt je verder om sekseel gedrag in te schatten en gepast te reageren.

Registratiecijfers

De hulpverlening en de politie registreren het aantal meldingen dat jaarlijks binnenloopt. Dat levert incidentiegegevens op die ons helpen om trends vast te stellen. Maar incidenten die niet gemeld worden, komen in deze registraties niet voor. We moeten dus rekening houden met onderrapportage.

Meldingen Vertrouwenscentra Kindermishandeling

De Vertrouwenscentra registreren in Vlaanderen de meldingen van kindermishandeling. In 2014 noteerden ze in totaal 7.542 meldingen van (een vermoeden van) kindermishandeling, waarbij in totaal 9.472 minderjarigen betrokken waren. In 2014 ging 15,2% van die meldingen over (een vermoeden van) 'seksueel misbruik'. Ongeveer de helft van de meldingen seksueel misbruik ging over incest (Het kind in Vlaanderen, 2013).

Kinderen en seksueel misbruik

Het aantal kinderen dat werd gemeld voor seksueel misbruik bedroeg respectievelijk

  • 805 voor incest (7,8% van 10.283 aangemelde kinderen);
  • 454 voor extrafamiliaal seksueel misbruik (4,4%);
  • 304 voor gevallen waarin het onduidelijk is of het over incest gaat (3%).

In totaal zijn dat 1.563 gemelde kinderen of 4,3 kinderen per dag. In 131 gevallen ging het over een minderjarige pleger binnen het gezin en 182 jonge plegers waren extrafamiliaal. De percentages zijn berekend tegenover een totale groep van 10.283 aanmeldingen, waarbij er een overlap kan zijn met diverse andere problematieken. 15% van de kinderen werd al eens eerder gemeld voor een problematiek (Het kind in Vlaanderen, 2014, p. 169).

Naar leeftijd was het seksueel misbruik en incest als volgt verdeeld:

  • 21,3% bij kinderen van 12 tot 18 jaar;
  • 14,7% bij kinderen van 6 tot 12 jaar;
  • 18% voor 3 tot 6 jaar;
  • 4% jonger dan 3 jaar.

De jongeren die zelf seksueel grensoverschrijdend gedrag stelden of misbruik pleegden hoorden bij de oudste categorie: de 12- tot 18-jarigen (Het kind in Vlaanderen, 2014, p. 203).

Vooral de omgeving meldt misbruik

De personen die meldden kwamen in 2014 in 24,4% van de gevallen uit de onmiddellijke omgeving van het kind (vooral de moeder, maar ook grootouders, buren enz.). 35,4% kwam uit de hulpverlening (gezondheid en welzijn) en 22,6% uit scholen (vooral Centra voor Leerlingenbegeleiding) en buitenschoolse opvang (Het kind in Vlaanderen, 2014).

Sinds 2012 is er het Meldpunt Geweld, misbruik en kindermishandeling. Dit samenwerkingsverband tussen de Vertrouwenscentra Kindermishandeling en de Centra voor Algemeen Welzijnswerk werd gelanceerd als centraal meldpunt voor de burger (de hulplijn 1712). 4,3% van de klachten kwam via dit meldpunt. Over het algemeen zien we in de voorbije jaren een vrij stabiel patroon.

Politiële criminaliteitsstatistieken

Ook de politie registreert meldingen van verschillende vormen van SGG tegenover minder- en meerderjarigen. Sinds 2011 zijn meldingen van verkrachting en aanranding niet meer opgenomen in de rubriek 'misdaden tegen de lichamelijke integriteit', maar onder een aparte rubriek 'zedenmisdrijven' (Jaarrapport politiële criminaliteitsstatistieken, 2011).

In 2013 telden de politiestatistieken 3.073 klachten in verband met verkrachtingen, 3.561 klachten voor aanranding van de eerbaarheid (1.435 klachten met geweld en 2.090 zonder geweld, 36 niet nader bepaald). In België zijn er dus op basis van de aangiftes 8 verkrachtingen en 9 aanrandingen van de eerbaarheid per dag, waarvan een groot deel bij minderjarigen (Politiële criminaliteitsstatistieken, 2013).

In deze politiestatistieken zien we weinig verschuivingen in het aantal meldingen voor zedenmisdrijven: 10.354 in 2013. Dit cijfer is vrij stabiel (lichte daling tegenover vorige jaren met 2010 (10.500) en 2011 (10.410).

Aanranding van de eerbaarheid met geweld

Aanranding van de eerbaarheid zonder geweld wordt voornamelijk gepleegd op minderjarigen. Op een totaal van 1.435 meldingen was minstens 33% minderjarig.

Aanranding van de eerbaarheid met geweld

Aanranding van de eerbaarheid zonder geweld

Op een totaal van 2.090 meldingen was minstens 64% minderjarig.

Aanranding van de eerbaarheid zonder geweld

Verkrachtingen

Verkrachtingen vertonen een dalende trend. Het valt op dat ook hier bij de helft (50%) van de verkrachtingen het slachtoffer minderjarig was. Op een totaal 3.032 meldingen was meer dan de helft minderjarig.

Verkrachting

Cijfers uit onderzoek

Slachtoffer- en gezondheidsonderzoeken peilen naar de ervaringen met seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) gedurende de hele levensloop. Het gaat dus om personen die op een specifiek moment aangeven ooit slachtoffer te zijn geweest van SGG. Deze prevalentiegegevens zijn retrospectief en geven dus niet noodzakelijk een beeld van de prevalentie van SGG bij de huidige generatie jongeren. Dit wetenschappelijk onderzoek helpt ons wel om zicht te krijgen op de omstandigheden en risicofactoren.

Leeftijd belangrijke risicofactor

Ook uit prevalentieonderzoek blijkt dat leeftijd een belangrijke risicofactor is voor het meemaken van SGG. In een slachtofferonderzoek naar geweld bij 2.014 mannen en vrouwen in België gaf 8,9% van de vrouwen en 3,2% van de mannen aan dat ze gedwongen seksuele aanrakingen of betrekkingen hadden ervaren vóór de leeftijd van 18 jaar (Pieters, 2010). Volgende vraag werd gesteld: 'Vóór de leeftijd van 18 jaar, heeft iemand - een familielid, iemand uit je naaste omgeving, een vriendje/vriendinnetje, collega (studiegenoot of werk) of onbekende:

  • je gedwongen tot het stellen of ondergaan van seksuele aanrakingen;
  • geprobeerd tegen je wil seksuele betrekkingen met je te hebben;
  • of is iemand daar met geweld in geslaagd?'

Het onderzoek toont vooral een hoger aantal slachtoffers van gedwongen seksuele aanrakingen. Ook valt het grotere aandeel mannelijke slachtoffers vóór de leeftijd van 18 jaar op: 3,5%. Voor mannen vanaf 18 jaar is dat slechts 0,8%.

Tabel 1: Seksueel geweld ervaren vóór de leeftijd van 18 jaar
 

Vrouwen

(n=88)

Mannen

(n=34)

Gedwongen seksuele aanrakingen8,1%2,7%
Ongewenste seksuele betrekkingen3,9%1,8%

Ook Sexpert peilde naar ervaringen met seksueel grensoverschrijdend gedrag (Buysse e.a., 2013). De auteurs constateren dat 16,6% van de respondenten ervaring heeft met SGG als slachtoffer vóór de leeftijd van 18 jaar, dat is dubbel zoveel is als na de leeftijd van 18 jaar (8,1%). Het Sexpert onderzoek vroeg voor het meest aangrijpende feit op welke leeftijd dat de eerste keer gebeurde, bij herhaalde feiten ook de leeftijd van de laatste keer. Gemiddeld waren jongeren 13 jaar oud. Bij herhaaldelijk slachtofferschap was de gemiddelde leeftijd bij de eerste keer 11, en bij de laatste keer 14 jaar. Er zijn ook geslachtsverschillen: jongens zijn gemiddeld ouder bij hun eerste ervaring als slachtoffer. Er is ook een grote spreiding: van 2 tot 18 jaar.

Verschillende vormen van SGG werden geconstateerd (Buysse e.a., 2013): kwetsende seksuele opmerkingen, op een kwetsende manier aangeraakt of vastgepakt te worden, gedwongen worden om naakt te zijn of om naar seksuele beelden te kijken, gedwongen tot masturbatie, gedwongen orale seks toe te staan of uit te voeren, poging tot verkrachting, verkrachting of 'iets anders'.

Het valt op meisjes veel vaker slachtoffer worden dan jongens en dat de ernstiger feiten (verkrachting en poging tot verkrachting) voorkomen bij 10,6% van de meisjes. 37,5% van de meisjes heeft ervaring heeft met kwetsende opmerkingen en aanrakingen.

Herhaalde feiten

In bijna de helft van de gevallen in de studie van Pieters (48%) gaat het om feiten die slechts één keer zijn voorgevallen. In 17,1% van de gevallen zijn de feiten 2 of 3 keer gebeurd, in eveneens 17,1% van de gevallen 4 tot 10 keer en in 13,8% meer dan 10 keer. Feiten binnen de familiecontext (vader, broer, familieleden) komen frequenter voor dan feiten waarbij de dader geen familielid is (Pieters e.a., 2010).

De Sexpert-studie peilde naar de meest ingrijpende gebeurtenis. In 64,2% van de gevallen is die slechts éénmalig voorgekomen, maar 35,8% van de respondenten gaven aan dat het meermaals voorkwam. Herhaald slachtofferschap voor de leeftijd van 18 kwam voor bij 28,3% van de jongens en 39,3 % van de meisjes.

Beleving van het slachtoffer

Bijna de helft (49,2%) van de slachtoffers beleeft de gerapporteerde feiten als 'zeer erg', iets meer dan een vierde (27%) als 'eerder erg' en een vijfde (20,5%) als 'helemaal niet erg' of 'eerder niet erg' (Pieters, 2010).

Pleger vaak mannelijk (maar niet altijd)

In de meerderheid van de gevallen van seksueel grensoverschrijdend gedrag vóór 18 jaar is de pleger mannelijk (Pieters, 2010). Maar ook vrouwen maken zich schuldig aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Tussen 14% en 24% van mannelijke slachtoffers en tussen 6% en 14% van de vrouwelijke slachtoffers meldt een vrouwelijke pleger (Wijkman e.a., 2010).

Vaak een bekende

Bij SGG denken we nog vaak dat kinderen en jongeren te maken krijgen met onbekende volwassen mannen. Dat beeld klopt niet. De meeste daden van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij minderjarigen worden gepleegd door een bekende: iemand binnen het gezin of de familie of iemand uit de naaste omgeving: een buur, een vriend van de familie, iemand van school.

Bij vrouwelijke slachtoffers wordt het seksueel grensoverschrijdend gedrag vooral gepleegd door mannelijke familieleden (23,6%), mannen in de omgeving (18%), onbekenden (14,6%), vaders (12,4%) en broers (5,%). Meer dan 1 op 10 (11,2%) van de feiten werd bij meisjes gepleegd door nog andere plegers. Bij mannelijke slachtoffers wordt SGG verhoudingsgewijs ongeveer even vaak gepleegd door onbekenden als bekenden, vooral leraars of oversten en mannen uit de naaste omgeving (Pieters, 2010).

Sexpert peilt ook naar de relatie met de pleger voor de meest ingrijpende gebeurtenis. In de meeste gevallen gaat het over één pleger, een bekende en een man. Voor meisjes gaat het meestal om een familielid (31,3%), een kennis (27%). Voor jongens gaat het vaker om een onbekende (20,4%), een kennis (19,8%) of een leraar, begeleider, overste, hulpverlener (13,9%). We hebben in deze studie geen zicht op de leeftijd van de pleger (Buysse e.a., 2013).

Rol van de omgeving

Het onderzoek 'Geweld, gemeld en geteld' van het Kinderrechtencommissariaat peilde naar de omgeving waarin jongeren met seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) te maken krijgen (De Rycke, 2011).

Misbruik thuis

In de thuissituatie werd 7% van de respondenten met SGG geconfronteerd. 8% van de meisjes en 6% van de jongens werd met minstens één van de vormen van SGG te maken. Blootstelling aan expliciet seksuele beelden komt bij 3% van de jongens en bij 2% van de meisjes voor. Plegers zijn hier vaker leeftijdsgenoten van buiten het gezin (De Rycke, 2011).

Misbruik op school

Op school kreeg 1 leerling op 3 af te rekenen met minstens één van de seksueel grensoverschrijdende handelingen, meestal gaat het om ongewenst kussen en ongewenst betasten. Vaak waren daar andere leeftijdsgenoten bij betrokken (De Rycke, 2011).

Op school kreeg ook 1,9% te maken met seksuele exploitatie zoals een beloning of geld krijgen om seksuele dingen te doen (1,2%), of tegen de wens figureren in een seksfilm (0,7%).

Misbruik in de sport en jeugdbeweging

In de sport zien we dat 10% af te rekenen kreeg met ten minste een vorm van SGG, in de jeugdbeweging is dit 3%. Ongewild kussen, geslachtsdelen bekijken of aanraken en ongewild seks hebben komt het meest vaak voor. Meestal zijn ook hier de leeftijdsgenoten verantwoordelijk. Enkel bij 'expliciete beelden moeten zien' worden vaker volwassenen aangeduid als verantwoordelijke (De Rycke, 2011).

Seksueel grensoverschrijdend gedrag online

Kinderen en jongeren gebruiken nieuwe media om vriendschappen en relaties te beleven. Ze kunnen dus ook online te maken krijgen met SGG of zelf SGG stellen. Uit een recent Europees onderzoek bij kinderen en jongeren (9-16 jaar) bleek dat 17% van de respondenten iets vervelends waren tegengekomen op internet, voor België alleen is dat 9% (Mascheroni & Ólafsson, 2014).

Cyberpesten

Cyberpesten of pesten met gebruik van nieuwe media kan vele vormen aannemen, maar het ongewenst delen van seksuele content zien we vaak terugkomen. Het gaat vooral over kwetsende seksuele opmerkingen of boodschappen, beelden en foto's (ongewenste sexting). Meisjes worden vaker gepest (26%) en zijn meer van streek (20%) dan jongens. 13-14 jarigen worden het vaakst gepest (26%) maar het zijn de jongste kinderen (21%) die er het meest schade van ondervinden (Mascheroni & Ólafsson, 2014).

Misbruik van privacy

Misbruik van privacy en persoonlijke informatie wordt door 5% van de jongeren gerapporteerd. Privacy is echter de kern van andere probleemervaringen zoals ongewenste seksuele sollicitatie, ongepast delen van beelden en data. Agressie, seksuele communicatie, privacy en misbruik van persoonlijke data zijn met elkaar verbonden (Mascheroni & Ó. Mobiele toestellen faciliteren het stellen van privacy-risicogedrag.

Sexting

Kinderen zijn vooral ongerust over het risico van sexting of het sturen van seksueel getinte beelden, boodschappen of naaktbeelden via internet. Wellicht krijgen gemiddeld 11% jongeren van 11 tot 16 jaar seksueel suggestieve of naaktbeelden en heeft 4% deze beelden ooit zelf eens doorgestuurd (van zichzelf of iemand anders). Jonge tieners en meisjes zijn het meest kwetsbaar. Meisjes liggen vooral wakker van de risico's van sexting en de negatieve gevolgen die dat zou kunnen hebben voor hun imago. Jongeren hebben het gevoel dat mobiele toestellen het risico op misbruik verhogen (Mascheroni & Ólafsson, 2014).

Confrontatie met seksueel expliciet internetmateriaal (SEIM) gebeurt voor 28% van de (Europese) jongeren tussen de leeftijd van 9 tot 16 jaar. 6% was heel ontdaan, 7% een beetje en 15% helemaal niet. Seksuele beelden op het internet is door 17% van de jongeren gezien.

Porno en grensoverschrijdend gedrag

Over de invloed van het kijken van porno is reeds veel geschreven, en het is duidelijk dat er geen eenduidig verband is met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Jongeren die reeds SGG hebben vertoond, zien in porno wel een bevestiging of aanmoediging (Owens, 2012). Bij het kijken naar gewelddadige porno zien we wel een effect met seksuele agressie: jongeren die in een onderzoek blootgesteld werden aan gewelddadige porno waren 6 keer meer seksueel agressief, dan jongeren die niet-gewelddadige porno keken (Owens, 2012).

Online grooming

Online grooming is het online benaderen van kinderen en jongeren om seksuele handelingen te stellen (online of offline). 26% van de Europese kinderen heeft online contact met iemand die ze nooit ontmoet hebben. Voor Belgische kinderen is dat 19%. Die contacten zijn niet noodzakelijk gevaarlijk, vaak gaat het om vrienden van vrienden (Mascheroni & Ólafsson, 2014). Recente cijfers over effectieve gevallen van seksueel misbruik die verband houden met online grooming ontbreken (Webster, 2012). Wel is er recente wetgeving om grooming beter te omschrijven in de strafwet (Wetsvoorstel Senaat 5-1823, 2012). Dit wetsvoorstel zou ertoe leiden dat online grooming strafbaar wordt vanaf de communicatiefase, ongeacht of dat effectief tot seksueel contact leidt.

Seksuele uitbuiting

Kinderporno

Kinderporno is alle materiaal dat kinderen toont (of personen die er als kind uitzien) die deelnemen aan echte of gesimuleerde seksuele handelingen, dat geslachtsorganen van het kind weergeeft voor seksuele doeleinden. In 2013 zijn 317 meldingen gebeurd van bezit ven kinderporno en 247 hebben te maken met het verspreiden ervan, 46 onduidelijk (in totaal 611 gevallen). Productie van kinderporno betreft 23 gevallen (Politiële criminaliteitsstatistieken, 2013).

Kinderprostitutie

Kinderprostitutie is het gebruiken van een kind voor seksuele doeleinden waarbij bij wijze van betaling geld of een andere vorm van beloning of vergoeding wordt gegeven of beloofd. We hebben 351 gevallen van aanzetten tot ontucht bij minderjarigen en 53 gevallen van uitbuiting van ontucht in 2013 (Politiële criminaliteitsstatistieken, 2013).

Kindersekstoerisme

Kindersekstoerisme is een vorm van seksuele uitbuiting van kinderen waarbij een persoon die reist, binnen het eigen land of naar het buitenland, seksuele handelingen stelt met het kind, vaak tegen betaling of een andere vorm van beloning. Kindersekstoerisme komt overal te wereld voor.

Seksueel grensoverschrijdend gedrag door jongeren

Ook jongeren zelf maken zich schuldig aan seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG): binnen een relatie, binnen de schoolcontext, binnen het gezin.

Melding van SGG door een minderjarige zelf gepleegd komt in de statistieken van Kind en Gezin in 2012 bij 151 kinderen voor in geval van incest, en bij 243 in geval van extrafamiliaal seksueel misbruik. Dat is respectievelijk 1,4 % en 2,2% van het totaal aantal kinderen aangemeld voor een of andere vorm van mishandeling of verwaarlozing (Het kind in Vlaanderen, 2013).

Als misdrijf omschreven feiten

Het percentage 'als misdrijf omschreven feiten' (MOF) dat door jeugdrechters in België werd behandeld voor geweld van seksuele aard is 4,6% van het totaal MOF-dossiers. Het grootste deel van de beslissingen (over alle problematieken) betreffen jongens van 15, 16 of 17 jaar. In 11% van de gevallen gaat het om jongeren van 12, 13 en 14 jaar, in 4% van de gevallen over 12 en 13 jaar. De meerderheid van de beslissingen betrof minderjarigen die niet in een problematische opvoedingssituatie verkeerden. In 1 van de 4 gevallen ging het om een eerste keer. In de helft van de gevallen geeft de beslissing aanleiding tot een specifieke maatregel. In 55% gaat het hierbij dan om ambulante maatregelen: berisping, toezicht, behoud van leefmilieu onder voorwaarden, prestatie van opvoedkundige aard (Nationaal Instituut voor Criminalistiek en criminologie, 2012).

Jeugdige zedendelinquentie

De interesse in jeugdige zedendelinquentie is in de jaren '80 gegroeid vanuit de vaststelling dat volwassen zedendelinquenten soms moeilijk te behandelen waren vanwege ingesleten gedrags- en cognitieve patronen. Hoe vroeger we in de afwijkende seksuele ontwikkeling kunnen ingrijpen, hoe beter, zag men. Bovendien werd in de VS de inschatting gemaakt dat 20% van alle verkrachtingen voor rekening van jongeren zou zijn en 30 tot 50% van alle gevallen van seksueel misbruik van kinderen (Barbaree & Marshall, 2006).

Vooralsnog vinden we deze cijfers niet terug in de meldingen. We zien ook dat een klein percentage (van 4 tot 11%) een nieuw zedendelict pleegt (van Wijk, 2012; Hendriks & Bijleveld, 2008). Er vindt vaker een algemene recidive plaats, wat tot de conclusie leidt dat jeugdige zedendelinquenten niet significant verschillen van jeugdige niet-zedendelinquenten. 'Het zijn geen plegers' is de vaststelling van diverse onderzoekers ('t Hart-Kerkhoffs, 2010; Bullens, 2005; Bruinsma, 2000; de Bruijn, e.a., 2006). De zedendelicten maken slechts een heel beperkt deel uit van de criminele carrière van jeugdigen (het is niet de start van een carrière in de zedencriminaliteit).

Risicofactoren en beschermende factoren

Om succesvolle interventies te kunnen ontwikkelen moeten we weten welke factoren seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) beïnvloeden: wat maakt iemand kwetsbaar? Wat werkt beschermend? En wat maakt iemand een pleger? In het algemeen zien we een opvallend positief verband tussen slachtofferschap en plegerschap (De Bruijn, 2007).

Individuele factoren

Om SGG mee te maken zijn zowel geslacht, seksuele oriëntatie als leeftijd belangrijke risicofactoren. Jonge kinderen, meisjes en homoseksuele tieners zijn het vaakst slachtoffer van SGG. Ook lagere opleiding, kwetsbare gezinsachtergrond, negatieve ervaring met SGG speelt een rol. Jongeren die meer seksuele risico's stellen (meerdere partners, alcohol, vroege start, losse seksuele contacten) maken meer SGG mee (Kuyper, e.a., 2011; De Bruijn, 2007) .

Maar ook de invloed van bepaalde attitudes zoals genderstereotiepe opvattingen en houding tegenover de toelaatbaarheid van dwang verhogen het risico op SGG. Negatieve seksuele motieven (om iets negatiefs te vermijden), een laag seksueel zelfbeeld, en ambivalente communicatie over grenzen zijn risicofactoren. Jongeren die minder goed in staat zijn grenzen te voelen en aan te geven maken meer SGG mee (De Bruijn, 2007, Kuyper, 2011; de Graaf et al, 2008).

Geslacht, oriëntatie en leeftijd

Jonge kinderen, meisjes en homoseksuele tieners zijn het vaakst slachtoffer van SGG. Ook minder opleiding, een kwetsbare gezinsachtergrond, een negatieve ervaring met SGG spelen een rol. Jongeren die meer meerdere partners hebben of losse seksuele contacten, die alcohol drinken of vroeg aan seks beginnen maken meer SGG mee (Kuyper e.a., 2011; De Bruijn, 2007).

Weerbaarheid van jongeren

Hoe schatten jongeren hun eigen weerbaarheid in? Meisjes geven vaker dan jongens aan dat ze ongewilde seks wellicht wel zouden kunnen weigeren in diverse situaties zoals verliefdheid, verkering, flirten, bij opwinding, als ze dronken zijn, wanneer de ander hen overhaalt of dreigt het uit te maken. Het meest riskant is opwinding of dronkenschap: 2 op 5 jongens en 1 op 4 meisjes denkt dan moeilijker te kunnen weigeren (de Graaf, 2012). Seks onder invloed van drugs of alcohol hangt bij zowel jongens als meisjes samen met dwang.

Als jongeren zelf SGG stellen zien we vaak dezelfde risicofactoren terugkomen. Meestal gaat het hier over jongens (Van Outsem, 2007; Vugt e.a., 2008; Worling & Langström, 2006). Ook hier zien we ambivalente communicatie en opvattingen over dwang terugkomen (Krahé, 2000 en 2007; Kuyper, 2011). Kijken naar gewelddadige porno kan ook een effect hebben (Kuypers e.a., 2010; Barbaree & Marshall, 2006; Franck, 2009).

Invloed van partners en peers

Bij SGG is de pleger in veel gevallen de partner, maar ook familieleden (bij meisjes) en kennissen (bij jongens) scoren hoog (Hellemans & Buysse, 2013, Pieters e.a., 2010). De relatie van een kind of een jongere met de pleger bepaalt in grote mate of SGG zich voordoet en hoe het slachtoffer dat beleeft. Machtsverschil zal het voor het slachtoffer moeilijker maken om te weigeren.

Het aantal partners, een vroege seksuele start (Symons, 2011) en het soort seksuele contacten zijn risicofactoren. Een oudere sekspartner of losse sekspartners hebben verhoogt de risico's. Ook vrienden en groepsdruk spelen een rol (De Bruijn, 2006, Kuyper e.a., 2010).

Relatie met de ouders

Een goede band met ouders maakt jongeren weerbaarder tegen verbale manipulatie. Die goede band stelt jongeren in staat om adequater te communiceren en eigen beslissingen te nemen, waardoor de kans om gemanipuleerd te worden afneemt. Ook steun en 'redelijke' controle door ouders werkt, of als ouders weten waar hun kinderen mee bezig zijn (De Bruijn, 2006; Kuyper e.a., 2010).

Bij plegers van seksueel geweld zien onderzoekers vaak een verstoorde relatie met de ouders. Deze jongeren ontwikkelen minder vaardigheden om intieme relaties aan te gaan. En dat kan leiden tot seksueel agressief gedrag (Hudson & Ward, 2000). We zien ook vaak transmissie doorheen generaties: ouders die zelf misbruik hebben meegemaakt, zijn zich er vaak niet van bewust hoe hun verleden invloed heeft op hun rol als ouder (Friedrich, 2007).

Risicovolle omgevingen

Op school worden kinderen en jongeren relatief vaker geconfronteerd met SGG. Dat heeft te maken met de context: kinderen kunnen niet weg en kunnen situaties niet ontlopen, er is weinig toezicht, er is geen laagdrempelige melding mogelijk. Meestal gaat het om minder ernstige feiten en zijn de plegers leeftijdsgenoten (Frans & De Bruycker, 2012).

Ook bij nieuwe media spelen contextfactoren een rol. Jongeren geven aan dat mobiele toestellen de drempel voor grensoverschrijdend gedrag verlagen (Mascheroni & Olafsson, 2014).

Competenties van professionals

Het beleid in organisaties waar jongeren resideren of begeleid worden blijkt niet voldoende om SGG te voorkomen en de competenties van professionals schieten nog tekort. Deze conclusie komt in verschillende recente rapporten voor (Mouthaan & Van der Vlugt, 2013; De Rijcke, 2011; Frans & De Bruycker, 2012; Jeugdzorg Nederland, 2013; Rapport historisch misbruik, 2013).

Professionals vinden het lastig om te beoordelen of er sprake kan zijn van seksueel misbruik. Ze willen het kind de nodige hulp bieden, maar anderzijds geen onterechte beschuldigingen uiten. Vaak gebeurt de beoordeling te intuïtief en verschillen professionals van mening. Er zijn geen objectieve criteria. Professionals in residentiële settings hebben onvoldoende inzicht in de gevolgen van traumatische (seksuele) ervaringen op kinderen. Ze signaleren een gebrek aan kennis en vaardigheden om met seksueel (ongewenst) gedrag om te gaan (Lamers-Winkelman & Tierolf, 2012).

Jongerenbegeleiders twijfelen vooral over 'grijze zones': wat kan, wat kan niet? In die situaties zouden ze graag beroep doen op een collega of een intervisiegroep, maar men vindt niet vaak mensen die voldoende in thuis zijn in het thema. Professionals hebben er nood aan meer op één lijn te zitten. Ze zijn benieuwd naar de mening van andere begeleiders en hebben nood aan meer collegiale afstemming (de Graaf, 2003).

Lichamelijke omgang

Over de lichamelijke omgang met kinderen en jongeren is er ook veel twijfel. De grens is niet zo duidelijk voor iedereen. Om verdenking te vermijden zullen professionals bepaalde situaties voorkomen, bijvoorbeeld als mannelijke begeleider met een meisje alleen zijn in een afgesloten lokaal. Professionals vinden dat geen goede ontwikkeling, omdat aanraken ook belangrijk is (Zwiep, 2009; Zwiep, 2012; Mouthaan & Van der Vlugt, 2013; Timmerman e.a. 2002; Bajama & Boninck, 2002).

Opvattingen van professionals en van kinderen en jongeren verschillen. De attitude van professionals is normatiever dan die van jongeren (Kramer e.a., 2007). Dat leidt tot situaties waarin de professional negatiever oordeelt, meer gevaren ziet, minder positieve elementen dan de jongere zelf.

Organisatiebeleid bepaalt mee de risico's

Begeleiders in residentiële jeugdzorg ontbreekt het vaak aan begeleiding om beter om te gaan met (ongewenst) seksueel gedrag. Ze hebben nood aan een 'faciliterend' management: een adequaat personeelsbeleid met aandacht voor training en begeleiding (Lamers-Winkelman & Tierolf, 2012; Buysse e.a., 2013; Jeugdzorg Nederland, 2012; Frans & Franck, 2010).

Determinanten van SGG moeten we niet enkel zoeken in de psychosociale problematiek van de doelgroep, maar ook in de institutionele context. Door het verblijf in een leefgroep in een jeugdinstelling kan misbruik meer kans krijgen. Als er sprake is van een gesloten natuur van inrichtingen, (agressieve) seksistische omgangsvormen en van begeleiders die zich niet toegerust voelen om met seksuele issues om te gaan, dan zijn dat belangrijke risicofactoren. Maar ook gebrekkige infrastructuur (slaap- en sanitaire ruimtes) en de organisatie van het toezicht zijn aandachtspunten (Green & Mason, 2002; Hollomotz, 2009; Ivens, 2003).

Beleidsaanbevelingen

De problematiek van seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) kreeg de laatste jaren meer aandacht. Maar zowel in de hulpverlening, preventie als in deskundigheidsbevordering van intermediairs is nog veel winst te boeken. In diverse beleidsaanbevelingen komen volgende aspecten terug (Derijcke, 2011; Buysse e.a., 2013; Rapport historisch misbruik, 2013).

Algemeen publiek informeren

Het algemene publiek moet verder geïnformeerd en gesensibiliseerd worden rond seksueel grensoverschrijdend gedrag. Sensibiliseringscampagnes kunnen daarbij helpen. Ook ouders moeten geïnformeerd en gesteund worden bij de opvoeding.

Toegankelijkheid hulpverlening verbeteren

Het aanbod (1712) is nog onvoldoende toegankelijk voor de doelgroep kinderen en jongeren (Meire, 2014). Het is belangrijk om verder te zoeken naar manieren om de toegankelijkheid te verhogen. Een aanbod chathulpverlening zoals Nupraatikerover.be is veelbelovend. Ook voor jonge plegers zou het aanbod moeten worden uitgebreid naar vrijwillige hulpverlening.

Deskundigheid van intermediairs bevorderen

De vorming van intermediairs moet voldoende aandacht besteden aan seksuele ontwikkeling, seksueel grensoverschrijdend gedrag en weerbaarheid, en gepaste attitudes en communicatievaardigheden aanreiken. Het oprichten van een overlegplatform moet de samenwerking tussen verschillende sectoren bevorderen.

Preventie van SGG opnemen in seksuele vorming

De preventie van SGG moet al vanaf jonge leeftijd deel uitmaken van relationele en seksuele vorming (RSV). Dat behelst ook onderhandelings- en communicatievaardigheden. Jongeren die in staat zijn helder en eenduidig over hun seksuele wensen en grenzen te communiceren hebben minder vaak ervaring met grensoverschrijdend gedraging van anderen en gaan zelf ook minder vaak over de grens. Het Vlaggensysteem is een methodiek die helpt om seksuele grenzen bespreekbaar te maken.

Preventie van SGG proactief opnemen in beleid

Organisaties die met kinderen en jongeren werken moeten proactief aandacht besteden aan SGG (Frans & De Bruycker, 2011). Maak een duidelijke engagementsverklaring en een uitgeschreven visie. In het Raamwerk Seksualiteit en beleid worden ze samengevat onder :

  • educatieve en zorgmaatregelen;
  • accommodatie en afspraken;
  • deskundigheid van begeleiders;
  • communicatie met alle partijen en betrokkenen.

Deze beleidsaanbevelingen komen terug in diverse beleidsverklaringen (Derijcke, 2011; Buysse e.a., 2013, Rapport historisch misbruik, 2013).

Extra aandacht besteden aan kwetsbare jongeren

In alle maatregelen is er extra aandacht nodig voor kwetsbare jongeren zoals kinderen met een beperking.

Wat doet Sensoa?

Relationele en seksuele vorming bevorderen

Het Sensoa Vlaggensysteem is een interventie om seksueel grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar te maken. Het is ondertussen een bekende methodiek geworden in Vlaanderen en Nederland. In 2016-2020 wordt het Vlaggensysteem verder uitgewerkt naar kwetsbare doelgroepen, en breed geïmplementeerd. Deze methodiek lag onder meer aan de basis van 'Oké, spel over seksueel grensoverschrijdend gedrag' voor jeugdwerk en 'Sport met grenzen' voor de sport.

Sensoa maakte de elektronische bordlessen 'Over de Grens' en de babbelmethodiek 'Tussen de Lakens' met een module over SGG.

In het aanbod naar de doelgroep rechtstreeks is het thema opgenomen in de tentoonstelling 'k Zag 2 beren voor kleuter- en basisonderwijs en Goede Minnaars voor secundair onderwijs. In de website Allesoverseks.be voor jongeren vanaf 15 jaar is het thema geïntegreerd.

Sensibiliseren

In De Week Van de Lentekriebels 2013 werd het thema opgenomen in de vorm van affiches voor basis- en secundair onderwijs over weerbaarheid.

Ouders ondersteunen in hun rol

Ouders spelen een belangrijke rol in de bescherming van kinderen en jongeren, zowel kinderen die SGG meemaken als kinderen en jongeren die zelf SGG stellen. Ouders signaleren zelf ook de nood aan gerichte antwoorden op vragen over seksueel gedrag ('Is dit normaal of niet normaal?') en over gepast reageren op SGG.

Op Seksualiteit.be vinden ouders informatie op hun maat over de seksuele ontwikkeling van kinderen en jongeren, tips om te praten over seksualiteit en om seksueel gedrag van hun kinderen correct in te schatten, op basis van het Vlaggensysteem.

Sensoa ondersteunt via andere organisaties een aanbod voor ouders in de vorm van ouderavonden, informatie op sites voor ouders (Groeimee.be) en hun intermediairs (Expoo.be) en netwerkt met andere organisaties die een aanbod voor ouders hebben (VIGez, ChildFocus, Gezinsbond enz.)

Preventiebeleid rond SGG ondersteunen

Sensoa ontwikkelt richtlijnen, handleidingen en tools om rond dit thema in de praktijk aan de slag te gaan. Voor alle begeleiders die met kinderen en jongeren werken is het Vlaggensysteem uitgewerkt, een methodiek die kan helpen seksueel (grensoverschrijdend) gedrag te beoordelen, het gesprek kan faciliteren en de pedagogische aanpak kan stimuleren. Een doorontwikkeling naar de sport- en jeugdwerkcontext is beschikbaar, en een verdieping naar jongeren met bijzondere noden (beperking, trauma, cultuur en gender) is in ontwikkeling.

Daarnaast is een Raamwerk seksualiteit en beleid uitgewerkt. Dit beleidsdocument helpt organisaties om het thema structureel aandacht te geven via het ontwikkelen van een visie, het uitwerken van een leerlijn, het opstellen van een protocol, een gedragscode, richtlijnen tot handelen enz.

In 2012 ondertekenden alle sectoren die met jongeren werken een beleidsverklaring om proactief beleid te voeren rond de seksuele integriteit van jongeren binnen de organisatie.

Sensoa heeft een vormingsaanbod rond het Vlaggensysteem en Raamwerk en heeft met diverse vormingsorganisaties en licentieovereenkomst om deze methodieken verder te implementeren en te borgen. Daarmee wil Sensoa tegemoet komen aan de nood van professionals om seksueel gedrag beter in te schatten, adequaat te reageren en met jongeren (en hun ouders) in gesprek te gaan over seksualiteit. 

Bronnen

  • Barbaree, H. E. & Marshall, W. L. (Eds.). (2006). The juvenile sex offender. New York: The Guilford Press.
  • Bruinsma, F. (1996). De jeugdige zedendelinquent: diagnostiek, rapportage en hulpverlening. Utrecht: SWP.
  • Bullens R. (2005). Haal ze uit hun rol: slachtoffers en daders van seksueel misbruik: twee zijden van dezelfde medaille? Geraadpleegd op 19/04/2017 via https://psychotraumanet.org/nl/slachtoffers-en-daders-van-seksueel-gewel....
  • Buysse, A. e.a. (Red.). (2013). Sexpert: seksuele gezondheid in Vlaanderen. Gent: Academia.
  • Buysse, A. e.a. (2014). Sexpert: seksuele gezondheid in Vlaanderen: valorisatierapport. Gent: Academia.
  • De Bruijn, P., Burrie, I. & van Wel, F. (2007). A risky boundary: unwanted sexual behaviour among youth. Journal of sexual aggression, 12(2), pp. 81-96.
  • de Graaf, H., Kruijer, H., Van Acker, J., e.a. (2012). Seks onder je 25e: seksuele gezondheid van jongeren in Nederland anno 2012. Delft: Eburon.
  • de Graaf, H., Nikken, P. & Felten, H. (2008). Seksualisering: reden tot zorg? Een verkennend onderzoek onder jongeren. Utrecht: Rutgers Nisso Groep, Nederlands Jeugdinstituut, Movisie.
  • de Graaf, H. & Rademakers, J. (2003). Seks in de groei: een verkennend onderzoek naar de (pre-)seksuele ontwikkeling van kinderen en jeugdigen. RNG-studies nr. 2. Delft: Eburon.
  • De Rycke, L., Vanobbergen, B., van den Akker, D. e.a. (2011). Geweld gemeld en geteld: aanbevelingen in de aanpak van geweld tegen kinderen en jongeren. Brussel: Kinderrechtencommissariaat.
  • Franck, T. (2009). Jonge mannelijke plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag: wat we al weten over de determinanten. Lief en Leed Nr. 5, Antwerpen: Garant.
  • Frans E. & De Bruycker, A. (2012). Raamwerk seksualiteit en beleid: kwaliteit, preventie en reactie in jouw organisatie. Antwerpen: Sensoa.
  • Frans, E. & Franck, T. (2010). Vlaggensysteem: reageren op seksueel (grensoverschrijdend) gedrag van kinderen en jongeren. Antwerpen: Garant.
  • Friedrich, W.N. (2007). Children with sexual behavior problems: family-based attachment-focused therapy. New York: Norton & Company.
  • Gilbert, E. & Mahieu, V. (2012). Onderzoek naar de beslissingen van de jeugdrechters/jeugdrechtbanken in MOF zaken. Brussel: Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie.
  • Green, L. & Mason, H. (2002). Adolescents who sexually abuse and residential accomodation: issues of risk and vulnerability. British Journal of Social Work, 32(2), pp. 149-168.
  • Hendriks, J. & Bijleveld, C. (2008). Recidivism among juvenile sex offenders after residential treatment. Journal of Sexual Aggression, 14(1), pp. 19-32.
  • Het kind in Vlaanderen (2014). Brussel: Kind en Gezin.
  • Hollomotz, A. (2009). 'May we please have sex tonight?' People with learning difficulties pursuing privacy in residential group settings. British Journal of Learning Disabilities, 37(2), pp. 91-97.
  • Ivens, C. (2003) Seksueel misbruik in residentiële voorzieningen: analyse van de chaos, Tijdschrift voor Welzijnswerk, 27(249), pp. 17-26.
  • Jacobs, M. (Red). (2011). Jongeren en seksualiteit: het recht op seksuele gezondheid en ontwikkeling: visie en aanbevelingen. Brussel: Kinderrechtencommissariaat.
  • Jaarrapport 2011 politiële criminaliteitsstatistieken (2011). Federale Politie, Directie van de operationele politionele informatie, dienst beleidsgegevens. Geraadpleegd op 02/03/15 via http://www.polfed-fedpol.be/crim/crim_stat_nl.php.
  • Jeugdzorg Nederland (2013). Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg. Utrecht: Jeugdzorg Nederland.
  • Krahé, B., Bieneck, S. & Scheinberger-Olwig, R. (2007). The role of sexual scripts in sexual aggression and victimization. Archives of Sexual Behavior, 36, pp. 687-701.
  • Krahé, B., Scheinberger, O.R. & Kolpin, S. (2000). Ambiguous communication of sexual intentions as a risk marker of sexual aggression. Sex Roles, 42, pp. 313-337.
  • Kramer, S., Janssens, K., Cinibulak, L. e.a. (2007). Over de grens: opvattingen van jongeren en beroepskrachten over grensoverschrijdend seksueel gedrag van jongeren. Utrecht: Movisie.
  • Kuyper, L., de Wit, J., Adam, P. e.a. (2009). Laat je nu horen! Een onderzoek naar grensoverschrijdende seksuele ervaringen en gedragingen onder jongeren. Utrecht: Universiteit Utrecht.
  • Kuyper, L., de Wit, J., Adam, P. e.a. (2011). Het vervolg op 'Laat je nu horen!'. Utrecht: Universiteit Utrecht.
  • Lamers-Winkelman, F. & Tierolf, B. (2012). Literatuurstudie, interviews en dossierstudie seksueel misbruik in pleegezinnen en instellingen voor jeugdzorg. Utrecht: Verwey Jonker Instituut.
  • Lammers, M. & Brants L. (2009). Veiligheid in de residentiële jeugdzorg: van incident tot fundament: vormgeving en implementatie van beleid rond bejegening, seksualiteit en seksueel misbruik in de residentiële jeugdzorg. Utrecht: Movisie.
  • Livingstone, S., Haddon, L. & Görzig, A. (2012). Children, risk and safety on the internet: research and policy challenges in comparative perspective. Bristol: The Policy Press.
  • Mascheroni, G. & Ólafsson, K. (2014). Net Children Go Mobile: risks and opportunities. Second Edition. Milano: Educatt. Geraadpleegd op 11/12/14 via http://www.netchildrengomobile.eu/reports/.
  • Mascheroni, G. & Cuman, K. (2014). Net Children Go Mobile: Final Report. Milano: Educatt. Geraadpleegd op 11/12/14 via http://www.netchildrengomobile.eu
  • Meire, J. (2014). Advies voor een kindvriendelijk 1712. Brussel: Kind & Samenleving in opdracht van de Vlaamse Overheid, departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Geraadpleegd op 11/03/2015
  • Mouthaan, I. & van der Vlugt, I. (2013). Verkenning kansen en mogelijkheden voor ontwikkeling visie en beleid seksualiteit in de kinderopvang (kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang). Utrecht: Rutgers WPF.
  • Ondubbelzinnig kiezen voor erkenning: historisch geweld en misbruik in jeugd- en onderwijsinstellingen in Vlaanderen. Analyse, duiding en beleidsaanbevelingen. Eindrapport expertenpanel, 2013. Geraadpleegd op 10/12/14 
  • Owens, E.W. (2012). The impact of internet pornography on adolescents: a review of the research. Sexual Addiction and Compulsivity, 19, pp. 99-122.
  • Pieters, J., Italiano, P., Offermans, A. (2010) Ervaringen van vrouwen en mannen met psychologisch, fysiek en seksueel geweld. Brussel: Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen.
  • Politiële criminaliteitsstatistieken België (2013). Brussel: Federale Politie. Geraadpleegd op 10/12/14 via http://www.polfed-fedpol.be/crim/crim_statistieken/2013_trim4/pdf/nation....
  • Symons, K. (2011). Seksuele Ontwikkeling bij jongeren: risicovol of plezierig? Presentatie Sexpertlezing 2. Geraadpleegd op 11/12/14 via http://www.sexpert-vlaanderen.ugent.be/media/1195/seksuele-ontwikkeling-....
  • 't Hart-Kerkhoffs, L. (2010). Juvenile sex offenders mental health and reoffending. Amsterdam: VU Medisch Centrum, Department of child and adolsescent psychiatry.
  • Timmerman, G., Bajama, C. & Bonink, M. (2002). Seksuele intimidatie op school: omvang, aard en aanpak van ongewenst seksueel gedrag. Assen: Koninklijke Van Gorcum.
  • van Boetzelaer, E., Hendriks, J. & Bijleveld, C. (2012). Verschillen tussen zwakbegaafde en normaal begaafde jeugdige zedendelinquenten. Tijdschrift voor Seksuologie, 36(1), pp. 30-36.
  • Van Outsem, R., (2007). Sexually abusive behaviour in juveniles: deviant and non-deviant pathways, Journal of sexual aggression, 13(2), pp. 169-179.
  • Van Vugt,E., Stams, G., Dekovic, M. e.a. (2008). Moral development of solo juvenile sex offenders. Journals of Sexual Aggression, 14, pp. 99-109.
  • van Wijk, A., Schoenmakers, Y., Kerkhoff-van Holsteijn, N. (2012). Jeugdige zedendelinquenten: een review van de literatuur 2006-2010. Tijdschrift voor Seksuologie, 36(1), pp 19-29.
  • Waites, M. (2005). The age of consent: young people, sexuality and citizenship. Houndmills: Palgrave Macmillan.
  • Webster, S., Davidson, J., Bifulco, A. e.a. (2012). Final Report European online grooming project. Geraadpleegd op 11/12/2014 via http://www.europeanonlinegroomingproject.com
  • Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek met het oog op de strafrechtelijke bescherming van kinderen tegen grooming (5-1823) ingediend door Cindy Fransen c.s. Geraadpleegd op 11/12/2014 via Senaat.be.
  • Wijkman, M., Bijleveld, C. & Hendriks, J. (2011). Vrouwelijke zedendelinquenten: specialistische, generalistische en eenmalige daders, Tijdschrift voor Seksuologie, 35(1), pp. 15-23.
  • Wilmink, M. (2010). Toolkit in veilige handen: hoe maak ik mijn organisatie veilig? Over preventive van seksueel misbruik van minderjarigen in het vrijwilligerswerk. Utrecht: Vereniging NOV en Movisie.
  • Worling J., Langström, N. (2003). Assessement of criminal recidivism risk with adolescents who have offended sexually: a review. Trauma, violence & abuse, 4, pp. 341-362.
  • Zwiep, C. (2012). Methodiek voor pedagogische begeleiding in de kinderopvang en in het basisonderwijs, Amsterdam: SWP.
  • Zwiep, C. & Colegem, G. (2009). Seksualiteit in de kinderopvang. De invloed van leidsters op de seksuele ontwikkeling. Pedagogiek, 29(1) pp. 32-4.