In een opiniestuk in De Standaard (DS, 10 maart 2026) vraagt Anneleen Boderé, doctor in de taalkunde en momenteel leerondersteuner in het basisonderwijs (meer) aandacht voor de kennis van het eigen lichaam. Het curriculum vertoont blinde vlekken op dit domein. Want in de nieuwe minimumdoelen lees je dit over het menselijk lichaam: ‘De kleuters kennen lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten, longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.’ Maar, schrijft ze: ‘Over de geslachtsdelen geen woord. Dat staat haaks op wat we weten over het belang van een vroege, correcte en schaamtevrije lichaamskennis.'   

Kinderen die van jongs af de juiste woorden leren gebruiken, ontwikkelen niet alleen anatomische precisie, maar ook taal om grenzen, ongemak en later ook verlangen te verwoorden.
Anneleen Boderé

En, merkt ze op: ‘De kennis over vrouwelijke geslachtsorganen en genotsbeleving wordt allerminst versterkt. In het zesde leerjaar leren jongens de woorden 'teelballen' en 'penis' voor hun uitwendige geslachtsdelen, terwijl meisjes enkel 'vagina' (het inwendige orgaan) aangereikt krijgen. Over uitwendige genotsorganen zoals de clitoris zwijgen de minimumdoelen, van het lager tot en met het secundair onderwijs.’ Ze besluit: ‘Seksuele vorming moet weer een volwaardige plaats krijgen in het curriculum. Jongeren hebben méér seksuele vorming nodig. Voor hun kennis, weerbaarheid, gelijkwaardigheid en als het even kan: seksueel plezier.’

Onze beleidsmedewerkers Svenja Vergauwen en Wannes Magits ondersteunen die vraag. Wannes schreef er als ouder deze persoonlijke bedenking bij.  

Vulva, voorpoep of pielemuis?

Ik moet eerlijk zijn. Zelfs ik als seksuoloog die elke dag over seksuele gezondheid praat en schrijf bij Sensoa, moest toch eens nadenken toen mijn dochter werd geboren. Ik vind het belangrijk dat ze haar lichaam kent, en bij het verschonen, wassen of aankleden benoemde ik dus ook steeds de lichaamsdelen. 

Voor de meeste lichaamsdelen ging dat benoemen automatisch, maar voor de geslachtsdelen heb ik even nagedacht

Mensen gebruiken allerlei woorden om ernaar te verwijzen. In mijn omgeving hoorde ik 'poep', 'voorpoep', 'muisje', 'spleetje', 'vagina'. Zelf vond ik 'foefie' wel schattig maar mijn echtgenote heeft me daar wijselijk van doen afstappen. We zijn uiteindelijk voor 'vulva' gegaan, de correcte term voor de buitenkant van de vrouwelijke geslachtsdelen. Hoewel ik het eerst nogal 'volwassen' vond klinken, gebruiken we nu thuis dat woord. En mijn dochter vindt het de normaalste zaak van de wereld. En ook bij mij is dat twijfelgevoel nu helemaal weg.  Monkey see, monkey do.

Gaan andere ouders ons woordgebruik wel oké vinden?

Bij jongens is 'piemel' intussen zowat de standaard in mijn omgeving, enkel 'flieter' is misschien nog een uitdager. Maar ik hoor eigenlijk weinig mensen 'penis' zeggen. En mensen hebben vaak minder moeite om 'piemel' te zeggen, dan om vrouwelijke geslachtsdelen te benoemen. Daar merk ik meer twijfels welk woord gepast is, ook naar andere ouders toe: 'Gaan ze het wel oké vinden wat ik met mijn kind als woord gebruik?' Niet verwonderlijk aangezien ze zelf thuis allemaal een ander woord kregen aangeleerd om ernaar te verwijzen. Monkey see, monkey do. 

Geslachtsdelen als ontbrekende lichaamsdelen

In de kleuterklas hangt het af van de kleuterleiding of je kind het juiste woord krijgt aangeleerd of niet. In de eindtermen, excuseer minimumdoelen, staan er heel wat lichaamsdelen vermeld, maar geslachtsdelen ontbreken in het lijstje. Misschien zaten de mensen in de ontwikkelcommissie zelf wat verveeld om (scholen te verplichten om) de geslachtsdelen te benoemen? Monkey see, monkey do?

Ik breek daarom mee een lans voor het correct benoemen van geslachtsdelen in de kleuterklas, zoals dat voor alle lichaamsdelen gebeurt. 

Ben je leraar? Gebruik onze lestips om het lichaam te bespreken in de klas.