Overslaan en naar de algemene inhoud gaan

U bent hier

Seksueel grensoverschrijdend gedrag jongeren: feiten en cijfers

Registratiecijfers over seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik

De hulpverlening en de politie registreren het aantal meldingen dat jaarlijks binnenloopt. Dat levert incidentiegegevens op die ons helpen om trends vast te stellen. Maar incidenten die niet gemeld worden, komen in deze registraties niet voor. We moeten dus rekening houden met onderrapportage.

Meldingen Vertrouwenscentra Kindermishandeling

De Vertrouwenscentra registreren in Vlaanderen de meldingen van kindermishandeling. In 2016 noteerden ze in totaal 7.080 meldingen van (een vermoeden van) kindermishandeling, waarbij in totaal 9.133 minderjarigen betrokken waren. In 2016 ging 14,9% van die meldingen over (een vermoeden van) 'seksueel misbruik'. Ongeveer de helft van de meldingen seksueel misbruik ging over incest (Het kind in Vlaanderen, 2016).

Kinderen en seksueel misbruik

Het aantal kinderen dat werd gemeld voor seksueel misbruik bedroeg respectievelijk

  • 696 voor incest (7,8% van het totaal aantal aangemelde kinderen);
  • 457 voor extrafamiliaal seksueel misbruik (4,6%);
  • 313 voor gevallen waarin het onduidelijk is of het over incest gaat (3,2%).

In totaal zijn dat 1.466 gemelde kinderen of 4 kinderen per dag. In 127 gevallen ging het over een minderjarige pleger binnen het gezin en 217 jonge plegers waren extrafamiliaal. De percentages zijn berekend tegenover een totale groep van 7080 nieuwe aanmeldingen, waarbij er een overlap kan zijn met diverse andere problematieken. 15% van de kinderen werd al eens eerder gemeld voor een problematiek (Het kind in Vlaanderen, 2016, p. 165).

Naar leeftijd was het seksueel misbruik en incest door volwassenen en minderjarigen samen als volgt verdeeld:

  • 26,3% bij kinderen van 12 tot 18 jaar;
  • 17,5% bij kinderen van 6 tot 12 jaar;
  • 19,7% voor 3 tot 6 jaar;
  • 3% jonger dan 3 jaar.

De jongeren die zelf seksueel grensoverschrijdend gedrag stelden of misbruik pleegden hoorden bij de oudste categorie: de 12- tot 18-jarigen en 6- tot 12-jarigen (Het kind in Vlaanderen, 2016, p. 167).

Vooral de omgeving meldt misbruik

De personen die meldden kwamen in 2016 in 13,2% van de gevallen uit de onmiddellijke omgeving van het kind (vooral de moeder, maar ook grootouders, buren enz.). We zien hier een daling tegenover de voorgaande jaren. Dat heeft wellicht te maken met de systematische toeleiding van burgers naar het meldpunt 1712. 1712 kan echter ook dossiers (terug) doorverwijzen naar de Vertrouwenscentra. Dat was in 2016 in 7,4% van het aantal meldingen het geval. 37,8% kwam uit de hulpverlening (gezondheid en welzijn) en 25,6% uit scholen (vooral Centra voor Leerlingenbegeleiding) en buitenschoolse opvang (Het kind in Vlaanderen, 2016).

In 2016 is er een verdere stijging van de meldingen vanuit justitiële instanties. Dat valt gedeeltelijk te verklaren door de positie van de Vertrouwenscentra als 'gemandateerde voorziening' binnen de integrale jeugdhulp, vanaf 1 maart 2014. Het jeugdparket kan aan een Vertrouwenscentrum een 'onderzoek maatschappelijke noodzaak' vragen. In wezen komt het er op neer dat de centra binnen deze procedure zullen onderzoeken of het noodzakelijk is dat er voor de aangemelde gezinnen (bijkomende) aanklampende hulp geïnstalleerd wordt, ook al blijken ouders of opvoedingsverantwoordelijken hier niet toe bereid.

Binnen de Vertrouwenscentra is deze procedure er in eerste instantie voor hulpverleners die menen dat minderjarigen in onveiligheid verkeren op lichamelijk, psychisch en/of seksueel vlak, dus slachtoffer zijn van kindermishandeling en ouders deze bezorgdheid onvoldoende ernstig nemen (zie "Gemandateerde voorziening" op Kindermishandeling.be). In 2016 ging het om 384 meldingen vanuit het parket, waarbij 699 kinderen betrokken waren (Het kind in Vlaanderen, 2016).

Politiële criminaliteitsstatistieken

Ook de politie registreert meldingen van verschillende vormen van SGG tegenover minder- en meerderjarigen. Sinds 2011 zijn meldingen van verkrachting en aanranding niet meer opgenomen in de rubriek 'misdaden tegen de lichamelijke integriteit', maar onder een aparte rubriek 'zedenmisdrijven' (Jaarrapport politiële criminaliteitsstatistieken, 2011).

In deze politiestatistieken zien we weinig verschuivingen in het aantal meldingen voor zedenmisdrijven in het algemeen: 11.102 in 2016. Dit cijfer is vrij stabiel (lichte daling tegenover vorige jaren met 2015 (11.153) en 2014 (11.714). 

Aanranding van de eerbaarheid 

Aanranding van de eerbaarheid wordt in het strafwetboek opgesplitst in aanranding met geweld of bedreiging en aanranding zonder geweld. De wetgever gaat ervanuit dat als er geen geweld of bedreiging was, een volwassen persoon heeft ingestemd. 

Aanranding zonder geweld of bedreiging is volgens de wet enkel toepasbaar op minderjarigen. Voor aanranding met geweld waren er in 2016 1.459 meldingen, waarvan minstens 35% minderjarig. Er waren in 2016 2.226 meldingen van aanranding zonder geweld. Het gaat hierbij dus telkens over aanranding van een minderjarige. In totaal spreken we dus van 3.685 meldingen van aanranding (zonder pogingen mee te tellen). Op basis van deze cijfers kunnen we stellen dat er dus 10 aanrandingen van de eerbaarheid per dag plaatsvinden. Dat is een lichte stijging ten opzichte van 2015. 

Verkrachtingen

In 2016 waren er 2.956 meldingen van verkrachting (zonder pogingen mee te tellen). In België zijn er dus op basis van de aangiftes 8 verkrachtingen per dag. Wat betreft de aangiftes voor groepsverkrachting zien we een lichte stijging terwijl er de jaren voordien een dalende trend was. In 2016 gaat het om 211 feiten, tegenover 189 in 2015 (Politiële criminaliteitsstatistieken, 2016).