Overslaan en naar de algemene inhoud gaan

U bent hier

Seksueel grensoverschrijdend gedrag jongeren: feiten en cijfers

Seksueel grensoverschrijdend gedrag door jongeren

Ook jongeren zelf maken zich schuldig aan seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG): binnen een relatie, binnen de schoolcontext, binnen het gezin.

Melding van SGG door een minderjarige zelf gepleegd komt in de statistieken van Kind en Gezin in 2016 bij 110 kinderen voor in geval van incest, en bij 217 in geval van extrafamiliaal seksueel misbruik. Dat is respectievelijk 1,1 % en 2,2% van het totaal aantal kinderen aangemeld voor een of andere vorm van mishandeling of verwaarlozing (Het kind in Vlaanderen, 2016).

Als misdrijf omschreven feiten

Het percentage 'als misdrijf omschreven feiten' (MOF) dat door jeugdrechters in België werd behandeld voor geweld van seksuele aard is 4,6% van het totaal MOF-dossiers. Het grootste deel van de beslissingen (over alle problematieken) betreffen jongens van 15, 16 of 17 jaar. In 11% van de gevallen gaat het om jongeren van 12, 13 en 14 jaar, in 4% van de gevallen over 12 en 13 jaar. De meerderheid van de beslissingen betrof minderjarigen die niet in een problematische opvoedingssituatie verkeerden. In 1 van de 4 gevallen ging het om een eerste keer. In de helft van de gevallen geeft de beslissing aanleiding tot een specifieke maatregel. In 55% gaat het hierbij dan om ambulante maatregelen: berisping, toezicht, behoud van leefmilieu onder voorwaarden, prestatie van opvoedkundige aard (Nationaal Instituut voor Criminalistiek en criminologie, 2012).

Jeugdige zedendelinquentie

De interesse in jeugdige zedendelinquentie is in de jaren '80 gegroeid vanuit de vaststelling dat volwassen zedendelinquenten soms moeilijk te behandelen waren vanwege ingesleten gedrags- en cognitieve patronen. Hoe vroeger we in de afwijkende seksuele ontwikkeling kunnen ingrijpen, hoe beter, zag men. Bovendien werd in de VS de inschatting gemaakt dat 20% van alle verkrachtingen voor rekening van jongeren zou zijn en 30 tot 50% van alle gevallen van seksueel misbruik van kinderen (Barbaree & Marshall, 2006).

Vooralsnog vinden we deze cijfers niet terug in de meldingen. We zien ook dat een klein percentage (van 4 tot 11%) een nieuw zedendelict pleegt (van Wijk, 2012; Hendriks & Bijleveld, 2008). Er vindt vaker een algemene recidive plaats. Dat leidt tot de conclusie dat jeugdige zedendelinquenten niet significant verschillen van jeugdige niet-zedendelinquenten. 'Het zijn geen plegers' is de vaststelling van diverse onderzoekers ('t Hart-Kerkhoffs, 2010; Bullens, 2005; Bruinsma, 2000; de Bruijn, e.a., 2006). De zedendelicten maken slechts een heel beperkt deel uit van de criminele carrière van jeugdigen (het is niet de start van een carrière in de zedencriminaliteit).